Over de ontzettende rijkdom van een tentoonstelling in een pralend en statig Palazzo in Venetië

Exhibition view of “Machines à penser” Fondazione Prada, Venice Photo Mattia Balsamini Courtesy Fondazione Prada

Tentoonstellingen komen en gaan in een tijd waarin ondermeer de snelheid alle vormen van diepgang verdampen en de oppervlakkigheid achterblijft in de leegte van de schijn.
Dit is geen doemdenken maar een vaststelling waarin heel veel kennis van de cultuur dreigt onder te sneeuwen in hoogstens een verzameling van context-loze citaten en beelden.
Het is opmerkelijk dat vele musea daarin een voortouw nemen; de tijd wordt zelden gegund om tentoonstellingen en projecten met de nodige zorg en research op poten te zetten. Op die manier vergeelt in vele gevallen het museum tot een expo-machine, deelachtig aan het jachtig op elkaar volgen van tentoonstellingen in kunsthalles en galeries, waar de druk van ‘inhoud’ niet weegt op de wisselende snelheid van het tentoonstellingsbedrijf.
Deze trend krijgt te maken met weinig verzet en dat is uiterst merkwaardig, maar soms ook niet.
Een handvol kapitaalkrachtige galeries neemt met het tikken van de klok de legaten over van bekende (overleden) kunstenaars; het geheugen van oeuvres komt meer en meer in handen van private handen en… tentoonstellingen waarin geïnvesteerd moet worden in studie worden meer en meer georganiseerd door Stichtingen en Foundations die paradoxaal gelieerd zijn aan multinationals actief in het produceren van luxe producten.

Fondazione Prada met straffe en geo-centrale vestigingen in Milaan en Venetië, perfect ‘vorm’ gegeven door bekende architecten, gaf Belg Dieter Roelstraete – bekend om zijn uitmuntend werk voor documenta 13 in Athene en Kassel – de kans een expo-project uit te werken met een vuistdikke catalogus/reader onder de titel “machines à penser”.
De curator kennende van zijn erudiete tekstuele productie maakte in het verleden niet altijd tentoonstellingen op het niveau van zijn schrijverschap, maar wat Dieter Roelstraete voor elkaar bracht in de Ca’ Corner della Regina die de Fondazione Prada ‘herbergt’ aan de Canale Grande in Venetië, is weinig en laat staan weinig te zien in ons land.

“Machines à penser” is een boordevolle, overvolle tentoonstelling in een al rijkelijk gedecoreerd Palazzo, waar de kunstwerken en de vele geëtaleerde documenten qua interessant-heid én belang over elkaar struikelen.
Op het eerste gezicht is deze expo verwarrend en wordt de gedesoriënteerde bezoeker geleid naar de zeer inzichtelijke bezoekersgids, waarin geen oppervlakkige praatjes te lezen vallen maar heldere uitwijdingen over de aanwezige kunstwerken. De catalogus is een hebbeding die badinerend en goed geïllustreerd de lezer meeneemt in het verhaal van de drie meest spraakmakende filosofen Adorno, Heidegger en Wittgenstein uit de vorige eeuw die door Dieter Roelstraete onderling in relatie worden gebracht door hun (voor)liefde voor een hut als dé plek van afzondering en studie. Het is een tentoonstelling op basis van filosofen die er ooit moest komen; Roelstraete blijft één van de weinige in het buitenland levende en docerende ‘curators’ die de 20 eeuwse filosofie als geen ander onder de knoet houdt én blijft (uit)dragen.

De tentoonstelling, annex publicatie zijn een omweg naar de Dogenstad méér dan waard en bewijst dat een expo ook een machine kan zijn die leidt tot inzicht en massieve kennisoverdracht.
Mooi is dat de tentoonstelling, cirkelend rond de hutten of de idee er rond van die 3 fameuze filosofen meteen een hint in de tijd trekt naar het werk van Albrecht Dürer en Bartolomeo Montagna en waarin ook de studiolo mét typische verwijzing naar de Heilge Hiëronymus aan bod komen.
Er staat zelfs een reële studiolo in deze tentoonstelling en die schraagt letterlijk (zeldzame) uitgaven van de 3 filosofen. Fraaie in landschappelijkheid gelardeerde modellen van de hutten staan als ankerpunten in de expo; ook de 1/1 reconstructie van de Hut van Heidegger die nog steeds een trekpleister is voor toeristen die in nostalgie gehuld, op tocht trekken naar dit gezonde oord.
De Brusselse Sophie Nys realiseerde in 2007 een schitterende video “Die Hütte” met onderliggende audio met commentaren uit de novelle “Oude Meesters” van Thomas Bernhard. Het is een eerste voorbeeld van hoe actuele kunst hier ingrijpt op de idee van de hut van de filosoof, als een compacte, bijna hermetische machine van en voor het denken.
Schitterend is het ensemble kunstwerken bij de inkom van de expo.
Een sound-work van Susan Philipsz, video van televisie- en filmproducent Alexander Kluge en een merkwaardige aan Kluge gelieerde kleinsculptuur van Anselm Kiefer zorgen voor hoogtepunten. “Fourteen ways to describe Rain” (2014) is gebaseerd op de intentie van Eisler – tijdens WO II in ballingschap in Los Angeles en werkend met Adorno aan een co-boek – dit stuk uiterst mooie muziek via meerdere kanalen in de ruimte te laten klinken.
Van de immer kloeke Alexander Kluge zijn ietwat lekker nieuw-ouderwetse video’s te zien waaronder één over de koude. In de catalogus leren wij van Kluge dat hij met Adorno werk wou maken rond het begrip koude. Koude die Alexander Kluge relateert aan de onverschilligheid van de mens en ‘de’ maatschappij, zoals dat tijdens het Derde Rijk zich pijnlijk voordeed op zaterdagavond met entertainment-programma’s op de Duitse tv terwijl Auschwitz aan de gang was.

De hut is een tijdelijk onderkomen waar de intellectueel zich kan terugtrekken – zelfs Le Corbusier had zo een klein ‘ding’ in het Zuiden van Frankrijk waarin hij talloze tekeningen realiseerde als een vorm van praktisch-denken. De hutten van filosofen van o.a. Jean-Jacques Rousseau en Martin Heidegger zijn in Prada ook te zien als speelse landschap-modellen van Mark Riley; dat komt zeker de adem van de tentoonstelling ten goede die nogal vol zit met conceptuele research-fotografie die eerder ten dienste staat van de visuele verbeelding van de bezoeker en soms als visuele cartografie artistiek niet zo veel te betekenen heeft. Het blijft echter goed dolen in het Palazzo waar naast de primair-denkbeeldige Hut-sculptuur van Adorno door Ian Hamilton Finlay en een schitterende vreemdsoortige klein-sculptuur van Mark Manders, exact geselecteerd werk hangt van Gerhard Richter. Hier zijn een kleine reeks overschilderde, zelf genomen kleurenfoto’s te zien waarin de picturale daad de mechanische afbeelding (foto) deels verbergt. De foto’s zijn genomen tijdens één van Richters vele zomerse verblijven in het Zwitserse dorp Sils Maria, waar Nietzsche in 1881, 1883 en 1888 ook zijn zomers doorbracht.

Gerhard Richter in Prada

Naar verluidt verhief Nietzsche het wandelen tot een “machine van het denken”. Deze sublieme werken van Gerhard Richter worden in Prada gelardeerd door een perfect gepolijste stalen kogel/bol met de fijne inscriptie van één van de bergen in het dal van Engadin. Gerhard Richter weet als geen ander kennis te transformeren in kunst die ‘het midden’ weet te houden tussen zakelijkheid en openingen tot interpretatie(s). En dat hij de glanzend-weerspiegelende kogel als een ‘capterende’ bol beschouwt van de omringende wereld, door die bol haast onzichtbaar te betekenen/ te graveren met de naam van een berg die Nietzsche meermaals moet hebben bewonderd én aldus gebruikte als “realiteit” bij zijn denken – maakt van de bijdrage van Gerhard Richter in Prada een wonderwel hoogtepunt. Zeer spijtig en quasi onvergeeflijk is dat de kogel/bol van Richter hier op een met plexi overkapte houten sokkel wordt gepresenteerd – waardoor de obligate voeling van de kogel met de grond/ de vloer / de wereld hier ferm geweld wordt aangedaan in de presentatie als een gevangen bol in een vitrine.

Filosofie kan niet zonder licht! In het Venetiaanse Palazzo is het aanbrengen van licht altijd een problematische zaak. Dieter Roestraete loste dit op door aan de Portugese Leonor Antunes, de opdracht te gunnen een reeks nieuwe, ronduit schitterende hangende lampen te creëren die ze produceerde met plaatselijke vakmannen uit de befaamde glasindustrie in Murano.
12 zeer bescheiden hanglampen van koperachtig metaal en glas-transparante lampenhouders verwijzen naar Anni Albers tekeningen “Knot 2” uit 1947, waarin zij het strakke inwisselde voor een open en vrije lijnvoering. In een interview in de meer dan lezenswaardige publicatie van deze tentoonstelling vertelt Leonor Antunes over haar intense relatie én bezorgdheid met ambachtsmannen en hun know-how die stilaan verdwijnt. En over haar lampen die 70 cm lang zijn – de uiterste lengte die een glasblazer fysiek aankan. De filosofie ademt soms zonder stoppen; Leonor Antunes geeft via haar “lichtbronnen” een mooie, poëtische vorm aan de gedachte van hoe lang de adem reikt van een mens. En die adem werpt nu licht op het denken in een tentoonstelling waarin zo veel te ontdekken en te leren valt!

“Machines à penser” nog tot 25 november 2018 in Fondazione Prada in Venetië

Luk Lambrecht

Be the first to comment

Leave a Reply

Votre adresse de messagerie ne sera pas publiée.


*