Wiels « Le musée absent »

Jimmie Durham, In Europe, 1994–2011. Courtesy of the artist

Wiels bestaat 10 jaar en directeur Dirk Snauwaert laat niet zomaar een slagromige taart aanrukken; neen, Wiels mengt zich in het politiek overgevoelige debat over de oprichting van een nieuw museum in de geweldige Citroën-garage aan het kanaal in Molenbeek.

Het is alsof Brussel plots werd gekaapt door een met haken en ogen aan elkaar geb(r)abbeld project voor een museum dat deels cultureel en deels op de diensten beroep zal doen van Centre Pompidou in Parijs. Om het de politiek wat gemakkelijk te houden en te maken werd inmiddels ere-directeur Laurent Busine van Grand-Hornu ingehaald als artistiek adviseur – Busine die steeds in een rechte lijn stond met Parijs, bejubelde al op de eerste voorstelling van het project Citroën de verdiensten van het Centre Pompidou als een speerpunt-museum.

Onafgezien van de quasi éénzijdige politieke insteek van het project Citroën, moet men zich toch de vraag stellen of het duur inhalen van de diensten van het Centre Pompidou niet beter kon worden afgewogen met eerst een inventaris op te maken van een stand van zaken op het vlak van kunst in onze metropool Brussel. Ook waarom meteen Centre Pompidou de uitverkorene werd en niet het Stedelijk in Amsterdam of Ludwig Museum in Keulen – (ook) straffe musea met eveneens brede collecties en gelegen langs de Thalys-lijnen op een boogscheut van Brussel.

Dirk Snauwaert en zijn team hebben een punt: Wiels is de enige plek in Brussel waar verdieping van kunst centraal staat; overwogen in een bewogen analyse van het reilen en zeilen van de wereld met alle veranderingen die globalisering met zich mee sleepte gaande van verarming, migratie, werkloosheid, culturele uitsluiting en politiek populisme. Wiels is als centrum één van de weinige plaatsen in ons land dat in een vrij arme stadswijk letterlijk het mooi gevoerde kritische woord/discours over problemen ook lokaal aanpakt mét de buurt zelf.

Uiteraard kan Wiels geen museum worden genoemd – zolang de definitie ervan niet toelaat dat een museum kan bestaan zonder vaste collectie en dito verwerven van representatieve kunstwerken.

Nu “speelt” Wiels een aantal maanden “museum” en dat dit een erg mooie expo oplevert staat buiten kijf. Wiels ziet het begrip “museum” wel breed van modern tot hedendaags; vooral de kern met het indrukwekkende werk van Felix Nussbaum (1904-1944) met visionaire schilderijen die de Nazi-tijd schrikbarend dicht bij de toeschouwer brengt, laat kippenvel achter.

Dit oeuvre is bij ons onderbelicht maar functioneert hier in Wiels als de ruggengraat van de expo met de passende titel “Het Afwezige Museum”.

Deze expo die op de drie nabijgelegen lokaties plaats vindt van de voormalige brouwerij Wielemans is op te vatten als een stand van zaken waarin ook de meest succesvolle kunstenaars “van bij ons” een plaats opeisen. De onontkoombare Luc Tuymans met een volle zaal schilderijen van een leeg museum in Doha in Quatar – een expo van Tuymans die an sich al politiek problematisch was en die hier als een set van ‘schone’ schilderijen niets meer toevoegt aan bijvoorbeeld de fameuze (hier afwezige) “museumfoto’s” van Thomas Struth. Moediger is de presentatie van een ensemble figuratieve schilderijen van Jo Baer – ooit de vrouwelijke icoon tussen de mannelijke minimalisten in de jaren zestig.

Een duivenkot op het panoramische dak van Wiels van Ann Veronica Janssens, knappe politieke schilderijen van Walter Swennen, één van de betere werken van Dirk Braeckman met een beeld van een met prikkeldraad getooide landkaart en een sterk als het ware schizofreen ge- en beladen klein oorlogs-werkje van Francis Alÿs zijn maar een aantal fraaie voorbeelden.

Confrontaties van Marcel Broodthaers met Martin Kippenberger en Guillaume Bijl helpen “onze” geschiedenis inzichtelijk te maken.

De expo is mooi en strak opgebouwd door Richard Venlet – die het begrip museum met zijn open muren-structuur heel letterlijk nam. Soms smakt het beeld als een slag in het gezicht en dat is zeker het geval met de bijdrage van Thomas Hirschhorn, met enorme foto’s van politiek geweld en dood, doorkruist met ge-pixelde beelddelen die wijzen op oorlogvoering via de massamedia.

En in de buurt ervaar je met staney brouwn de andere wereld van afstand, tijd en de maat van de dingen…

Een wandeling in “het afwezige museum” is alleszins geen gezellige tocht langsheen “alleen maar” fonkelende iconen/meesterwerken – de expo is wel heel divers en toont werk van Jef Geys en Jimmie Durham via Mark Manders en Marlene Dumas tot Christopher Williams, Wolfgang Tilmans en Otobong Nkanga.

Wiels werkt ook in de loop van de maand Mei samen met het Kuntenfestivaldesarts via de organisatie van heel wat performances zoals van Carsten Höller, Otobong Nkanga, Nastio Mosquito en Lili Reynaud-Dewar. Op die manier sluit performance hier in Wiels nauw aan bij de afwezigheid van een groot huis in Brussel waar grootscheepse theaterprojecten en performatieve initiatieven (zouden) kunnen plaats grijpen…

Deze verfrissende en ruime expo en het bijbehorende boek met teksten van Dirk Snauwaert en van eerlijk twijfelende museumdirecteurs Manuel Borja-Villel (Rein Sofia, Madrid) en Charles Esche (Van Abbemuseum, Eindhoven) zijn zo veel méér waard dan een oppervlakkige recensie en/of dito vluchtig bezoekje. En dat het hier niet alleen over het esthetische en het mooie gaat bewijst de harde aanwezigheid van het Archief van de Universele Ambassade; een archief van activistische activiteiten omtrent papieren en regularisatie.

Het Afwezige Museum is een expo die fundamenteel de vraag durft op te werpen van hoe een wereldstad zoals Brussel zich in de nabije toekomst wil of kan positioneren met een museum met open vensters op de wereld i.p.v. met spiegels.

 

Luk Lambrecht

 

>13/08 Wiels

 

Laisser un commentaire

Votre adresse de messagerie ne sera pas publiée.


*



9 + 7 =